Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0295

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708695/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor de productie van smaakstoffen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 november 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200708695/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor de productie van smaakstoffen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 november 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2007, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [vergunninghoudster] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2008, waar [naam een der appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.J. Gaaf van der Weerd en ing. A.J. Willemsen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, drs. A. Snik, R. Beukers en J.A. Sarelse, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. [appellanten] voeren aan dat het college niet binnen de in de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2005, nr. 200407495/1 gestelde termijn van drie maanden, doch pas na twee jaar een nieuw besluit heeft genomen. [appellanten] hadden na het verstrijken van de door de Afdeling gestelde termijn tegen het uitblijven van een tijdig besluit rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Voorts neemt de omstandigheid dat het college niet binnen drie maanden een nieuw besluit heeft genomen, niet weg dat het college ook na die termijn nog steeds verplicht was ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling opnieuw op de aanvraag te besluiten. Daarom kan de overschrijding van de gestelde termijn, ook al is de overschrijding aanzienlijk, geen grond vormen het bestreden besluit te vernietigen. 2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.3. [appellanten] stellen ernstige geurhinder te ondervinden. Zij voeren aan dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat niet voldoen aan de Nederlandse emissierichtlijn (hierna: NeR ) geen reden is voor weigering van de vergunning. Zij stellen dat de woonomgeving en de medewerkers van een in de buurt gelegen bedrijf worden blootgesteld aan een hogere geuruitstoot dan volgens de NeR en het Gelders geurbeleid voor milieuvergunningen (hierna: Gelders geurbeleid) is toegestaan. Vergunninghoudster heeft volgens hen onvoldoende maatregelen getroffen om de geurbelasting te beperken. Tevens stellen [appellanten] dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat met de vergunde maximale geuruitstoot het door hen acceptabel geachte geurhinderniveau kan worden bereikt. 2.3.1. Het college voert aan dat de onderhavige aanvraag getoetst moet worden aan het Gelders geurbeleid voor milieuvergunningen en dat de Bijzondere regeling Geur- en smaakstoffenindustrie uit de NeR niet meer van toepassing is omdat deze is ingetrokken. Tevens stelt het college dat in het bestreden besluit is vastgelegd dat de best beschikbare technieken tegen geurhinder moeten worden toegepast en dat het Gelders geurbeleid in die situatie toestaat dat dan een geuremissie vergund wordt die hoger is dan de in dit beleid opgenomen bovenwaarde voor wonen en werken. 2.3.2. De Afdeling stelt vast dat, nu de Bijzondere regeling Geur- en smaakstoffenindustrie uit de NeR op 21 maart 2007 is ingetrokken, er geen grond was de op 23 april 2007 ingediende aanvraag met toepassing van deze regeling te beoordelen. Het college heeft toepassing aan het Gelders geurbeleid kunnen geven. Het Gelders geurbeleid kent drie waarden voor geurhinder: streefwaarden, richtwaarden en bovenwaarden. De bovenwaarde geeft het plafond van redelijke hinder weer. Vervolgens wordt het acceptabele geurhinderniveau bepaald aan de hand van onder meer de aard van de geur (hedonische waarde) en de omgeving waarin de inrichting is gelegen. In bestaande situaties is het acceptabel geurhinderniveau ten hoogste de bovenwaarde. Indien de bestaande geurimmissie evenwel hoger is dan de bovenwaarde en niet met redelijkerwijs te verlangen maatregelen of voorzieningen is te reduceren tot ten hoogste de bovenwaarde, bepaalt het college het met redelijkerwijs te verlangen maatregelen of voorzieningen best bereikbare geurhinderniveau en onderzoekt het college of en zo ja, binnen welke termijn, met verdergaande maatregelen of voorzieningen een acceptabel geurhinderniveau kan worden bereikt. Hierbij kan het college een termijn aan de vergunning verbinden waarbinnen de geurimmissie wordt gereduceerd tot ten hoogste de bovenwaarde, of waarbinnen op andere wijze sanering van de geurimmissie plaatsvindt. 2.3.3. Volgens bladzijde 2, tweede alinea van het bij de aanvraag overgelegde geuronderzoek van Buro Blauw B.V. van 4 juli 2000 is de geur van de inrichting 'zeer hinderlijk'. De bovenwaarde uit het Gelders geurbeleid is 1 geureenheid per m3 als 98-percentielwaarde (hierna: ge/m3) voor woningen en 3 ge/m3 voor bedrijven. Ter plaatse van de dichtst bij de inrichting gelegen woning bedraagt de feitelijke geurbelasting 7 ge/m3. Bij de woonkern Voorthuizen is deze 1,3 en bij het nabijgelegen bedrijf Continental 25. De geurimmissie van de inrichting is hoger dan de bovenwaarde. Het college heeft niet toereikend gemotiveerd waarom het thans een geurbelasting van 7 g.e./m³ op de dichtstbijzijnde verspreide woonbebouwing acceptabel acht, terwijl het ten tijde van het door de Afdeling vernietigde besluit van 25 mei 2004 een geurbelasting op die bebouwing van maximaal 5 g.e./m³ acceptabel achtte. Voorts is in het bestreden besluit geen termijn opgenomen waarbinnen de geurimmissie tot ten hoogste de bovenwaarde dient te zijn gereduceerd. Gelet hierop en op het feit dat de geur zeer hinderlijk is, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in het bestreden besluit opgenomen vergunningvoorschriften alle redelijkerwijs te verlangen maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om geurhinder te voorkomen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, alsmede met artikel 3:46 van die wet dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. 2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. 2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van 18 oktober 2007, kenmerk MPM7347; III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,66 (zegge: tweeënveertig euro en zesenzestig cent); het dient door de provincie Gelderland aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IV. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Klap voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 315.